“Je moet je publiek scannen, zodat ze het gevoel hebben dat je ze aankijkt!”

“Je moet gewoon met energie dat podium op, tsjakka!”

“Wil je een goede presentatie geven dan moet je gewoon lekker zelfvertrouwen hebben op dat podium. Ben je gespannen? Ontspan!”

Zomaar drie tips die deelnemers van onze presentatietrainingen in eerdere, andere presentatietrainingen te horen hebben gekregen. En die ze geen stap verder helpen.

Maar die wel vaak worden gegeven als het over presenteren gaat, zelfs in trainingen.

In deze blog willen wij afrekenen met drie grote fabels over presenteren. En onze woede kwijt over hoe banaal sommige ‘presentatietips’ kunnen zijn. We gaan een beetje ranten op die zogenaamde tips. Deze drie tips spiegelen je namelijk wel een resultaat voor, maar zeggen je niet hoe je dat dan doet: hoe je bij dat resultaat komt. Als we tegen jou zouden zeggen, ‘ontspan’, denk je: ‘ja hehe, dat snap ik ook wel, het is niet dat ik expres gespannen ben, maar hoe dan? Als ik dat wist, had ik het allang gedaan.’

In deze blog willen wij je graag leren waarom wij het niet eens zijn met deze tips of ze ontoereikend vinden. Maar vooral hoe je dan dat resultaat wat je als spreker wil bereiken wel bereikt.

3 fabels

1. Scannen

“Je moet je publiek scannen, dan hebben ze het gevoel dat je ze aankijkt.”

Nee.

Een publiek voelt feilloos aan of je echt contact maakt of niet.

Bij een autoverkoper die een verhaal afdraait ‘hele mooie auto, fijne kleurtjes, goeie bekleding, rijdt lekker zuinig, mooi bakkie’ voel je ook dat dit verhaal niet speciaal voor jou is. Hij vertelt elke keer hetzelfde ongeacht wie hij tegenover zich heeft.

Met rijles, als je leraar vraagt: ‘heb je in je spiegels gekeken?’ En jij zegt: ‘ja, zeker, ik heb midden, rechts, schouder gekeken.’ En hij dan vraagt: ‘en heb je die groene auto gezien?’ ‘Euhm nee.’

Dan heb je dus niet echt gekeken maar gescand.

Hoe maak je wel echt contact met je publiek? Door af en toe een zin tegen een iemand te richten. Je checkt of je zin aankomt en gaat niet verder met je verhaal voordat je zeker weet dat dit het geval is.

Vervolgens incasseer je de reactie van de luisteraar. Zo voer je meer een gesprek met je publiek. En voelt je publiek zich echt gezien. Jij ziet hen namelijk ook. En omdat de reacties die je incasseert elke keer anders zijn, is je verhaal ook elke keer anders. De ene keer moet je wat langzamer spreken omdat iemand het niet begrijpt, de andere keer is een bepaalde zin grappig of juist serieus. Je verhaal wordt zo meer live.

2. Opgepompt het podium op

“Je moet gewoon met energie dat podium op, dus pomp jezelf lekker op vantevoren!”

Kan, maar het moet niet je enige modus zijn. En het is ook niet voor iedereen een goed idee.

Stel dat jij al veel energie hebt, of nogal krachtig overkomt, gewoon van jezelf, sowieso al.

Dan is het een slecht idee om te gaan powerposen. Of jezelf helemaal op te pompen. Je moet eerder downpowerposen. Of wat ontspanningsoefeningen doen van tevoren. Ook is het belangrijk dat die energie een keuze is. Dus dat je ook stukken van je verhaal ontspannen kan vertellen. Zodat je niet vol energie je hele verhaal doorknalt omdat dit de enige modus van spreken is die jij kent. Dan is het namelijk geen keuze, maar je enige optie. Dus wissel af. Tussen inspanning en stukken die je vol energie vertelt, waarin je energie toevoegt. En stukken die je op ontspanning doet, waar je minder energie toevoegt en loslaat. Twee modi, jij kiest welke je wanneer inzet. Dan is het echt een keuze.

Dus powerposen goed idee? Vol energie dat podium op? Soms een goed idee, maar niet voor iedereen. En niet je hele presentatie.

3. Tips die het resultaat afdwingen maar de route ernaartoe vergeten

“Wil je een goede presentatie geven dan moet je gewoon lekker zelfvertrouwen hebben op dat podium. Ben je gespannen? Ontspan!”

“Je moet gewoon lekker dynamisch zijn, beetje afwisselen, dat houdt de mensen er bij!”

Tegen iemand die depressief is zeggen: ‘he, je moet gewoon blij zijn joh, je moet gewoon niet depressief zijn, ik ben ook niet depressief en dan ben je het gewoon niet, kan jij ook.’ Heeft weinig zin. Het levert niks op, je neemt iemands probleem niet serieus en je zegt iemand om iets niet te doen.

Stop met euh zeggen. Doe het gewoon niet. Gaat mensen ook niet helpen. Je kan ze beter iets geven wat ze wel kunnen doen. Wil je meer ontspannen zijn? Doe hiphaphop in je hoofd. Dan laat je je middenrif los na elke zin en laat je spanning los. Je adem zal zakken. Of laat een stilte vallen, dan heb jij tijd om na te denken wat je hebt gezegd en wat je gaat zeggen, plus hoe je dat gaat doen. En je publiek ook. Of geef jezelf de opdracht de volgende zin wat sneller te zeggen. Allemaal concrete opdrachten die jij jezelf elke presentatie kan geven. Technische opdrachten, waarmee je jezelf bezighoudt met dingen die je helpen bij je presentatie. En waardoor er minder ruimte is voor gedachten als: ‘doe ik het wel goed, kan ik dit wel, wat vinden ze ervan.’ Met als resultaat meer ontspanning bij jou als spreker omdat je weet wat je doet. Jij ervaart meer regie, je publiek ontspant ook want zij zien iemand die weet wat ze doet. Dat ontspant jou nog meer etc.

Kortom het gaat om hoe je iets doet in plaats van het resultaat. Het resultaat kan iedereen benoemen, iedereen wil ontspannen zelfzeker presenteren. Iedereen wil een dynamische presentatie, maar hoe doe je dat, daar gaat het om.

Conclusie

Dus ja, ontspannen presenteren is belangrijk. Ja, met energie presenteren is belangrijk en ja, je moet contact maken met je publiek. Maar om een resultaat te bereiken moet je weten hoe je daar komt. Wat je kan doen op een mindere dag. Welke technieken je dan kan inzetten. En dan kom je bij het resultaat dat je wilt.

Heb jij nog meer presentatietips waar je niks mee kan? DIe puur op resultaat zijn gericht maar je niks zeggen over hoe je dat dan kan doen? Laat het ons weten, dan bespreken we in een volgende blog hoe je dit kan doen. En zo toch je resultaat bereikt. Jij blij, wij blij, iedereen blij.